Als kind fietste ik met een BMX. Je weet wel, zo’n fiets waarmee E.T. de lucht inging. Ik reed in de bossen en op pleintjes zo snel ik kon. Remmen dicht en slippen. Springen over een zelfgemaakt wipje met een plank op een bak cola. Om ter hoogst, om ter verst. Het bracht me overal. De fiets was simpel: een driehoekig stuur, een zadel, een ketting, een Torpedo rem, twee wielen met crossbanden en een stel pedalen. Het plezier was enorm.

Rijden met de speed pedelec over onze Vlaamse wegen doet me dikwijls denken aan die tijd. Op slag voel ik weer dat kinderlijk plezier met dat breder stuur en die stevige banden. Maar er is meer. Er is de rijvaardigheid die nodig is om niet stomweg te vallen. Gaten en putten in de weg, een ongelukkig geplaatst borduur, schots en scheve kasseien, ijs op de weg. Tijdens zo’n rit van 25 km kom ik al eens dit soort dingen tegen. Zeker wanneer ik een richting uitga waar ik niet vaak kom en de rijweg niet zo goed ken. Het wordt al helemaal een avontuur wanneer ik in het donker nieuwe wegen ontdek. Dan kan ik maar best één zijn met mijn fiets. En juist dat leerde ik al wippend en slippend op mijn BMX.

Met de auto reed ik 40.000 km per jaar. Naar overal. Op elk uur van de dag. Over autosnelwegen, expreswegen, landelijke baantjes, in industrieparken, dorpskommen, op boulevards. Niets zo leuk als in volle zomer het raampje opendoen, de radio luid zetten en opgaan in het live verslag van de ronde van Frankrijk. Al is het soms ook heel anders op de weg. Mijn allereerste autorijles was er één bij stormweer en hevige regenval. Een gloednieuwe BMW, niet eens 1.000 km. Ruitenwissers op maximum, amper in staat het water bij te houden. Alle omstandigheden kom je tegen: hevige sneeuw, stevige mist, pikdonker of een verblindende zon. Ik deed het graag, zo rijden. Alsof de auto mijn persoonlijke living was. Radio aan, chocolaatje eten, telefoontje doen, al eens meezingen of uit pure frustratie keihard roepen. Door een hartafwijking ben ik geen autochauffeur meer. Neemt niet weg dat ik als chauffeur meer dan een half miljoen kilometers op de teller heb. Waarvan honderdduizend met een camionette.

Daar ben ik blij om. Want deze ervaring helpt me de auto in het verkeer inschatten. Ik besef dat, wanneer je als chauffeur op het einde van de straat stopt, je de reflex hebt om bovenal naar links te blijven kijken, om vervolgens aan te zetten en de baan naar rechts op te draaien. Wanneer ik als speed pedelec rijder over het fietspad met dubbele rijrichting van rechts kom aanrijden, dan minder ik aan zo’n kruispunten mijn snelheid en kijk ik naar de chauffeur of hij/zij me heeft gezien. Natuurlijk kan ik roepen dat ik als fietser het recht heb om over dat fietspad te vlammen en zo de automobilist steeds met alle aandacht naar links en naar rechts moet kijken. Tegelijk is het donker, wat regenachtig, had de automobilist misschien niet z’n beste dag en moet hij/zij dringend een dochter oppikken op de dansles.

Echte snelheid op mijn speed pedelec maak ik bovenal op plaatsen waar de verkeerssituatie heel erg duidelijk is, denk aan de fiets-o-strade. Op plaatsen waar het verkeer helemaal gemixt is, verplaats ik me zoveel als mogelijk in de andere weggebruiker. De autobestuurder maar ook de schoolfietser, het omaatje, de tractorbestuurder, de vuilkar. Dit klinkt niet sexy. Het is ook niet te vatten in wetgeving. Maar deze ervaringen als chauffeur en als BMX’er zijn voor mij wel de basis van veilig rijden met een speed pedelec. Als kind buiten wippen en springen, het is zoveel meer dan in je hoofd Thibau Nys of Eric Geboers naspelen.